Reistijdingen

Verslag en fotoreportage van mijn reis naar de VS, 27 mei - 26 juni 2017. Let op: het laden van de foto's kan even duren!

Klik op een foto om hem te vergroten. Klik op de vergroting om hem weer te verkleinen.



 

Dag 30. We hebben gebruncht bij een 'diner' tegenover ons motel en vervolgens uitgecheckt. De treinrit naar het vliegveld verliep daarna zeer voorspoedig, en vervolgens hebben we nog een tijdje op het vliegtuig moeten wachten.

We zitten momenteel op het vliegveld te wachten totdat ons vliegtuig vertrekt. Aan de gate blijken de computersystemen niet te werken, en na een halfuur komen de medewerkers van de vliegmaatschappij eindelijk op het idee om dan maar iedereen handmatig te registreren en tot het vliegtuig toe te laten. Het leek er even op dat we onze vlucht opnieuw niet gingen halen - weer een gevalletje Wet van Murphy? - maar in Reykjavik zat bij de douane wel schot in de zaak, waardoor we net op tijd bij de gate waren. En hoe kan het ook anders, ook die vlucht bleek vertraagd.

Zo zijn we uiteindelijk weer goed thuisgekomen, met mooie herinneringen aan opnieuw een fantastische vakantie.


 



 

Dag 29. We zijn vanmorgen na een heerlijk ontbijtje vertrokken uit Delta. We zijn duidelijk de Rocky Mountains weer genaderd en na een schitterende en rustige weg door de binnenlanden, langs rivieren, bossen en immense rotswanden, zijn we naar de snelweg gereden. Vervolgens was het nog een paar uurtjes naar Denver. De snelweg loopt over de Rockies heen, dus eerst wordt er hevig geklommen tot een hoogte van bijna 12 duizend voet - ruim 3,5 kilometer - en vervolgens wordt er weer twee kilometer gedaald. Ons autootje is niet de beste klimmer, maar vooral de vrachtwagens hebben het er moeilijk mee en met knipperlichten aan ploeteren ze met een slakkengang de bergen op, waarna ze er aan de andere kant - vol in de remmen - weer voorzichtig vanaf rollen.

Eind van de middag zijn we naar het verhuurbedrijf gereden om de auto weer in te leveren. Zoals ik al eerder schreef zitten alle verhuurders naast elkaar, elk met een parkeerterrein met een zee van auto's. Er zit een tankstation naast de verhuurbedrijven waar alle huurauto's hun tank nog even volgooien en vervolgens rijdt iedereen achter elkaar naar zijn verhuurder. Zaterdagmiddag zal wel een populair retourneermoment zijn, want er stonden alleen al bij onze verhuurder drie behoorlijke rijen auto's te wachten op afhandeling. Medewerkers van het verhuurbedrijf lopen tussen de auto's door, scannen de streepjescode, kijken even wat de kilometerteller en de benzinemeter aangeven en controleren vluchtig of de auto niet beschadigd is. Met een minuutje was het gepiept.

Vervolgens zijn we met de vliegveldtrein en de benenwagen - best gek, weer helemaal autoloos zijn - naar het motel gegaan. Het is weer geen topper, maar het bed ligt ten minste lekker. Morgen starten we even rustig op, waarna we naar het vliegveld gaan, en dan kan de terugreis beginnen!


 



 

Dag 28. Zondagmiddag vliegen we, met een tussenstop in Reykjavik, weer terug naar Nederland. Omdat ik erg graag wat extra beenruimte wil hebben op onze vlucht van Denver naar Reykjavik heb ik even met Icelandair gebeld om te informeren naar stoelen met extra beenruimte, en die hebben we gratis en voor niets gekregen, voor beide vluchten. Wederom (na mijn heenreis) supertof van Icelandair!

Vanmorgen zijn we naar ons laatste nationale park gereden, Black Canyon of the Gunnison. Een betrekkelijk klein park dat opgezet is rondom de canyon waar de rivier de Gunnison doorheen loopt. De canyon is erg diep en plaatselijk erg nauw, waardoor sommige plekken maar een halfuur zonlicht per dag krijgen; vandaar 'Black Canyon'. Met 36 graden was het heerlijk weer en hebben we veel kunnen hiken.

Ons motel in Delta is helemaal perfect en biedt als kers op de taart een heerlijk, gratis ontbijt aan met een keuze tussen omelet, fruit, toast en allerlei andere lekkernijen. Morgen rijden we door naar Denver, waar we onze auto weer inleveren.


 



 

Dag 27. We hebben vlakbij het leuke stadje Grand Junction, waar we hebben overnacht, Colorado National Monument bezocht. Dit park ligt net als Canyonlands op een plateau dat uitzicht biedt op diepe afgronden en imposante rotsen. Net zoals de andere monuments was het er erg rustig. Het was een prachtig park en blijkbaar gaan er nog geregeld stemmen op om het park te 'upgraden' tot nationaal park. Het was er een graad of 39, dus een tikkeltje behaaglijker dan de voorgaande dagen.

We zijn vervolgens doorgereden naar het stadje Delta, waar we twee nachten doorbrengen. Het is onze laatste standplaats voordat we weer terugkeren naar Denver. We zijn inmiddels, na zes staten te hebben gezien, ook weer terug in Colorado. Denver staat ook al enige tijd op de borden, dus het einde van onze reis is in zicht!

Onderweg kwamen we de goedkoopste benzine tot nu toe tegen - 2,22 dollar per gallon, oftewel omgerekend maar 53 eurocent per liter. Wat we ook ontzettend veel tegenkomen is 'roadkill', dode dieren langs de weg. Met name herten, kleine knaagdieren, wasberen en vogels moeten het ontgelden. Vreemd genoeg worden die beesten niet weggehaald; regelmatig zien we kadavers in verregaande staat van ontbinding of zelfs complete skeletten van herten en ander wild. Een bizar gezicht.


 



 

Dag 26. Meestal stellen we niet veel eisen aan een motel: als het bed lekker ligt en je kunt fatsoenlijk douchen dan zijn we eigenlijk al tevreden. Als ze ook nog werkende wifi hebben en de temperatuur op de kamer draaglijk is dan is het helemaal mooi. En hoewel er altijd wel iets aan te merken valt op een kamer (te warm, te koud, een naar bed, een nare douche, een ongezellige locatie, lawaai van naburige kamers, onvriendelijke receptionisten, rooklucht, etc.) kregen alle motels zeker een voldoende (Fieke en ik kennen de motels cijfers toe voor bed, faciliteiten, sfeer, service en prijs-kwaliteitverhouding).

Het motel in Green River stond ons echter nogal tegen, omdat het bloedheet was in de geheel houten kamer. De airconditioning werkte matig en was erg lawaaierig en wanneer je hem uitzette was het binnen een mum van tijd weer snikheet op de kamer. En deze kamer hadden we - oh Wet van Murphy - voor drie nachten geboekt. De eerste nacht hebben we het maar even aangekeken, maar we sliepen allebei slecht en werden zo'n beetje met een hitteberoerte wakker. De volgende dag besloten we om nacht drie te annuleren. Om onverklaarbare reden noemde de reisgids dit een 'gem' (een 'pareltje'). We hebben uiteindelijk een stad verderop een motel geboekt voor dezelfde prijs en dat is weer een topmotel (zelfs met buitenzwembad waar we nog even lekker in hebben gedobberd).

Vandaag hebben we het noordelijke deel van park Canyonlands bezocht. Dit deel heeft de prachtige naam 'Island in the Sky', omdat het een plateau is dat bijna geheel omringd is door diepe canyons. De uitzichten zijn fenomenaal. Aan de ene kant, 650 meter onder ons, heeft de Green River zich een diep spoor door het landschap gekerfd, een aan de andere kant heeft de Colorado - die van de Grand Canyon - hetzelfde gedaan. Op het plateau zelf staan prachtige rotsen en liggen uitgestrekte versteende duinen. Dit park is absoluut een van mijn favorieten, en het is er nog betrekkelijk rustig ook.

Omdat het wederom 41 graden is hebben we weinig trek in lange hikes. Dit is alweer de elfde dag met temperaturen van ver in de 30 of zelfs boven de 40 graden, maar gelukkig gaan de temperaturen vanaf morgen een beetje omlaag.


 



 

Dag 25. Nederlanders kom je overal ter wereld tegen, en ook in de binnenlanden van Utah. Er is nog geen dag voorbijgegaan zonder dat we meerdere Nederlanders tegen het lijf zijn gelopen. Het opmerkelijkste is nog wel dat we ten noordoosten van Las Vegas een Nederlands stel tegenkwamen en hen vandaag, 700 kilometer verderop, weer troffen, twee keer zelfs.

We hebben vandaag nationaal park Arches bezocht, een park dat bekendstaat om zijn stenen bogen en rood- en vermiljoen-kleurige rotsen. Helaas was het erg druk en erg heet. We hadden al slecht geslapen vanwege de hitte en eenmaal in het park - waar het 41 graden was - hadden we weinig puf voor lange hikes. We hebben het dus maar rustig aan gedaan en de rest van de middag doorgebracht in het stadje Moab, dat tussen Arches en Canyonlands in ligt. We hebben nog even een 'rock shop' aangedaan, het toeristische centrum verkend en heerlijk Italiaans gegeten.

Morgen gaan we, ijs en weder dienende, het noordelijke deel van Canyonlands bekijken. Het lijkt erop dat het weer boven de 40 graden zal worden.


 



 

Dag 24. Nadat we in Blanding de restanten van een 700 jaar oud indianendorpje - een pueblo - met bijbehorend museum hebben bezocht, zijn we verder noordwaarts gereden. Onder andere Canyonlands National Park stond nog op ons wensenlijstje, maar dit park wordt doorklieft door de rivier de Colorado - die van de Grand Canyon inderdaad - en er is in het park geen brug over de rivier. Er zijn dus vanaf de snelweg twee afzonderlijke wegen het park in, in het noorden en het zuiden, ver van elkaar verwijderd. Vandaag hebben we het zuidelijke deel van het park bezocht, een schitterend landschap vol opvallende, sienna- en okerkleurige rotsformaties en losstaande pilaren. Niet ons eerste rotslandschap, maar ze zijn allemaal anders en dit was toch wel een van de bijzonderste. Even buiten het park hebben we 'Newspaper Rock' bekeken, een brede rotswand waar indianen meer dan duizend jaar lang tekeningen in hebben gekerfd. De vroegste zijn van ver voor de jaartelling.

Met 40 graden is het bloedheet, dus we hiken maar niet te veel. We zijn eind van de dag neergestreken in Green River, wat onze uitvalsbasis is voor de komende dagen. Het motel heet 'Robbers Roost Motel', vernoemd naar de schuilplaats van de bekende trein- en bankrovers Butch Cassidy en the Sundance Kid in een canyon hier niet ver vandaan. Ze maakten destijds gebruik van het treinstation van Green River om vee uit de treinen te jatten. Net als Blanding is ook Green River een vervallen, uitgestorven, merkwaardig stadje. Afgezien van rond etenstijd is er bijna niemand te bekennen, verscheidene winkels zijn failliet gegaan en zijn compleet vervallen, het motel heeft dringend wat onderhoud nodig en her en der liggen autowrakken en bouwmaterialen in bermen en achtertuinen.

In de auto luisteren we veelal naar de Amerikaanse radio (behalve diep in de binnenlanden en in de parken, waar vaak niets te ontvangen is). Doordat we nogal wat kilometers maken moeten we ook regelmatig van zender wisselen. Country is met afstand het populairste genre, maar dat gemijmer van cowboys over drank, vrouwen en pick-uptrucks slaan wij bij voorkeur over. (Maar wanneer we maar een of twee zenders kunnen ontvangen zijn dat helaas meestal countryzenders.) Ook kunnen we concluderen dat de Amerikanen een obsessieve voorliefde hebben voor Journey, Elton John, Eurythmics, Fleetwood Mac en Blondie, die we allen meerdere malen per dag voorbij horen komen, ongeacht de zender.


 



 

Dag 23. In Blanding valt helemaal niets te beleven, maar het dorp profileert zich als een 'gateway', een toegangspoort naar de parken en monumenten in de regio. We zijn vanmorgen naar Natural Bridges National Monument gereden, dat hier zo'n vijftig kilometer vandaan ligt. Het bevindt zich diep in the middle of nowhere en het aantal medeweggebruikers dat we op weg ernaartoe tegenkwamen was op n hand te tellen. In het park zelf was ook bijna niemand. Lekker rustig, maar niet verdiend, want het is een schitterend park. Ja, ik weet het, ik blijf maar superlatieven gebruiken, maar de meeste parken verdienen die absoluut.

In Natural Bridges bevinden zich - zoals de naam al doet vermoeden - drie natuurlijke bruggen. Ooit waren dit massieve rotswanden waar een rivier tegenaan heeft geschuurd. Na miljoenen jaren erosie is op deze plekken een opening in de rotsen ontstaan, die steeds breder en dieper werd, waardoor deze imposante bruggen zijn ontstaan.

Er zijn meerdere plekken die een mooi uitzicht bieden op de bruggen, maar je kunt ook naar beneden hiken, de canyon van de inmiddels drooggevallen rivier in. Deze paden zijn zonder meer de mooiste die we deze vakantie hebben bewandeld; je loopt over rotsen, houten trapjes, keien, zandpaden en uit de rotsen gehakte traptreden, onder overhangende rotswanden door en zigzaggend door de begroeiing heen. Er is vrijwel nergens gebruikgemaakt van door mensen gemaakte voorwerpen; de routes worden zoveel mogelijk gemarkeerd met dingen als boomtakken of keien.

Met temperaturen van ver in de 30 graden is het hiken een aardige inspanning en het water gaat er dan ook hard doorheen. Elke paar dagen kopen we een stuk of wat tanks met een gallon water (bijna 4 liter). Later op de dag hebben we nog enkele runes bekeken van 700 jaar oude indianenwoningen, waarvan er nogal wat te vinden zijn in de regio. Ook kwamen we na een middellange hike uit bij een rotswand waar de indianen in grotten en nissen hun onderkomens hadden. Verschillende bakstenen muurtjes en woningdelen waren goed bewaard gebleven. Een bijzonder gezicht.


 



 

Dag 22. Van het zuidwesten van Utah zijn we naar het zuidoosten gereden. We hadden een route uitgekozen die ons langs twee bezienswaardigheden zou voeren: Horseshoe Bend en Monument Valley. In de loop van de ochtend arriveerden we bij de eerste halte, gelegen op de grens van Utah en Arizona, nabij het kleine stadje Page. Een bordje langs de hoofdweg verwees naar een onverharde parkeerplaats langs de weg, waar zeker honderd auto's en touringcars geparkeerd stonden. We voegden ons bij de stroom mensen, voornamelijk Aziaten, die via een zanderig pad een heuvelrug over liep. Hierna was het nog een kilometer lopen in temperaturen van om en nabij de 40 graden naar een indrukwekkende klif, vanwaar je een fenomenaal uitzicht hebt op de rivier de Colorado, die 300 meter in de diepte een hoefijzervormige bocht maakt (vandaar de naam). De canyon wordt naar het zuidwesten toe steeds breder en dieper en slechts honderd kilometer verderop staat hij bekend als de Grand Canyon.

Het uitzicht op de azuurblauwe rivier met de groene algen en waterplanten is werkelijk fantastisch. Er staan geen hekken of borden; je moet maar gewoon oppassen waar je loopt. Het maakt de beleving zo mogelijk nog specialer. Sommige durfals zoeken de verst uitstekende rotspunten op om voor een foto te poseren, andere bezoekers kijken wat schuchterder over de rand van de afgrond.

Later reden we het grondgebied van de Navajo-indianen binnen. De indianen - wel gewoon in spijkerbroek getooid overigens - proberen vanachter diverse verkoopstalletjes handgemaakte sieraden te slijten. Het mooiste aan hun reservaat is echter Monument Valley: een vlakke prairie waar diverse sienna-kleurige rotsformaties te zien zijn. Het zijn imposante, grotendeels verticale rotsen die door de wind tot soms curieus gevormde pilaren zijn gerodeerd. Waarschijnlijk is er geen enkel beeld dat meer met het Wilde Westen wordt geassocieerd dan deze vallei - zeker in combinatie met een cactus, een cowboy en een namiddagzon - en er zijn dan ook diverse bekende westerns gefilmd. Niet ver na Monument Valley volgt de indrukwekkend klinkende 'Valley of the Gods', een soortgelijke collectie ontzagwekkende rotsen.

We kwamen 's middags aan in het dorpje Blanding, een vervallen en uitgestorven plaatsje. We hebben een heerlijke hamburger gegeten bij zo'n beetje de enige eetgelegenheid. We hebben hier gelijk weer wat nieuwe Amerikaanse voedselaanduidingen geleerd: als je om 'mayonnaise' vraagt krijg je chipotle-saus, 'root beer' heeft niets met bier te maken maar is een soort gembercola met een kersachtig bijsmaakje en een 'vanilla shake' is geen milkshake maar een soort dik softijs dat je met een lepel eet. Weten we dat ook weer.


 



 

Dag 21. Het motel biedt een gratis continentaal ontbijtje, dus daar hebben we dankbaar gebruik van gemaakt en vervolgens zijn we naar Bryce gereden. Ik wilde op tijd weg om eventuele mensenmassa's bij de ingang voor te zijn, en dat is gelukt, want we waren meteen aan de beurt.

Bryce Canyon is geen groot park. (Het is overigens technisch gezien ook geen 'canyon' - een ravijn - maar alleen een richel met een afgrond.) De belangrijkste attractie is het 'amfitheater': een richel, ruwweg in de vorm van een halve cirkel, waarvandaan je uitkijkt op een bebost dal met talloze zogeheten 'hoodoos', bijzonder gevormde rotspilaren die de hoogte in reiken. Wind en regen hebben deze ooit massieve rotsformaties uitgehold tot smalle torens en in veel gevallen zelfs gaten veroorzaakt, waardoor het lijkt alsof er ramen in de hoodoos zitten of ze via stenen bruggen verbonden zijn. De richel zelf erodeert ook: door de krachten van de natuur brokkelt hij af met een snelheid van een meter per eeuw. Bomen die op de rand van de afgrond staan verliezen hierdoor de grond rondom hun wortels. Het resultaat: bomen die een halve meter boven de grond lijken te zweven en met moeite door hun ontblote wortels op hun plek worden gehouden. Het is onvermijdelijk dat ook zij mettertijd de afgrond in tuimelen. Het is een bijzonder tafereel.

Na dit amfitheater strekt Bryce nog een behoorlijk eind naar het zuiden uit. Hier loopt n weg, maar die bleek afgesloten. Nogal een domper. Toen Fieke aan een park ranger vroeg waarom dit deel van het park afgesloten was, antwoordde de ranger stellig dat het prk niet afgesloten was, alleen die wg. Tja, een heel leuk semantisch onderscheid, maar daar schiet je niets mee op als dat de enige weg is. (Uitgebreide wegwerkzaamheden bleken trouwens de reden te zijn.) We hebben het dus met alleen het amfitheater moeten doen, waar we flink wat gehiked hebben tussen de hoodoos door, maar het was de moeite zeker waard.


 



 

Dag 20. We zijn vanmorgen vanuit Las Vegas vertrokken, hebben een klein hoekje van Arizona meegepakt - dat een indrukwekkend gebergte bevatte - en zijn vervolgens Utah binnengereden. We besloten te lunchen in Kolob Canyons, een prachtige uithoek van nationaal park Zion, en hebben hier nog een eindje gehiked. Het is hier met zo'n 30 graden een stuk behaaglijker dan de woestijn van Nevada.

Na een mooie route door de bossen en bergen zijn we terechtgekomen bij Bryce Canyon, wat een van de mooiste nationale parken heet te zijn. We zitten in een sfeervol motel op 10 minuten rijden van het park. Ernaast is een restaurant / supermarkt / ijskraam / snoepwinkel / souvenirwinkel / benzinepomp, een alles-in-een-etablissement dat je vrij veel ziet op het platteland, waar we heerlijk hebben gegeten. Bij de ingang van het park is een stenenwinkel waar ik mijn ogen de kost heb gegeven en alvast wat mooie souvenirs heb gescoord, versteend hout en kleurrijk zandsteen hier uit de regio.

In het dorpje waar we verblijven - Tropic - zijn de toeristen in de meerderheid. Overal hoor je Duits, Frans, Japans en Chinees. Vermoedelijk zal het park ook vergeven zijn van de toeristen, dus we gaan morgen vroeg uit de veren.


 



 

Dag 19. We zijn 's morgens naar 'Valley of Fire State Park' gereden, een park van bescheiden grootte ten noordoosten van Vegas. Opnieuw was dit een onbekend pareltje. Midden in de woestijn ligt deze vallei met felrode rotsen. Door beweging van de aardkorst steken ook hier de bergen diagonaal de hoogte in en zijn er verschillende aardlagen te zien met schitterende kleuren. Het is net alsof er gele, roze, rode, witte, groene en zwarte lijnen op de rotswanden zijn getekend. Een leuk detail is dat er in dit gebied ook veel 4000 jaar oude petrogliefen te zien zijn, rotstekeningen die door de vroegste bewoners van dit gebied zijn aangebracht.

Omdat Fieke er een handje van heeft om met haar rug naar wegschietend wild toe te staan (een slang, een haas, eekhoorns, hagedissen) hebben we een codewoord ingevoerd: 'rood' betekent dat er gevaarlijk wild achter je staat - dus eerst wegstappen en daarna omkijken - en 'groen' betekent ongevaarlijke beesten. Maar Fieke begint al een neusje te ontwikkelen voor het spotten van wild. Nadat ik een chuckwalla spotte - een hagedis van 40 cm, de grootste die hier leeft - ontdekte Fieke een paar vrij zeldzame dikhoornschapen op de rotsen. Later kwamen er zelfs nog twee dikhoorns naar beneden, die een eind voor ons uit over de weg liepen en uiteindelijk weer de bergen in klommen. Een goede dag voor het bekijken van zowel natuur als wild.

Eenmaal terug in Vegas hebben we heerlijk gegeten bij de Cracker Barrel, een excentrieke zuidelijke restaurantketen - landbouwwerktuigen aan de muur, schommelstoelen op de veranda - die mij werd aanbevolen en die niet heeft teleurgesteld. Daarna hebben we onze was gedaan in een echte Amerikaanse laundromat, een bedrijfje met een hele reeks wasmachines en drogers waar je voor een aantal kwartjes je was kunt doen. Amerikaanser wordt het niet. We hebben de dag opnieuw afgesloten op 'The Strip' en gaan Las Vegas morgen weer achter ons laten.


 



 

Dag 18. Er zijn niet veel winkels in Beatty. Het is een aardig plaatsje, maar de enige supermarkt is een veredelde tankstationwinkel. We hebben daar een paar benodigdheden gehaald en naar goed Amerikaans gebruik - ontzettend veel Amerikanen ontbijten buiten de deur - ontbeten in een soort kleine 'diner'. Na een heerlijke wafel en eieren met hollandaisesaus te hebben genuttigd zijn we weer Death Valley ingereden.

We namen nu een zuidelijke route die ons over de centrale vlakte bracht. Het was ditmaal ver in de dertig graden, duidelijk meer dan gisteren. We hebben niettemin een eind door een schitterende oker- en roodkleurige canyon gehiked en een mooi uitzichtspunt bezocht - 'Artist's Palette' - waar de rotsen allerlei verschillende kleuren hebben: rood, bruin, geel, roze, van alles. Tot slot zijn we een eind de zoutvlakte op gelopen, het heetste en met 86 meter onder zeeniveau het laagste punt van de VS.

Begin van de middag reden we door naar Las Vegas, waar we eind van de middag arriveerden. We zitten in een spotgoedkoop motel op loopafstand van 'The Strip', het beroemde gokdistrict van Vegas. Na ons aan de gokmachines van het Bellagio en de fonteinen van Caesar's Palace te hebben vergaapt, hebben we heerlijke verse pizza gegeten en tot in de avond rondgewandeld. Ik was al eens in Vegas geweest, Fieke nog niet, maar je blijft je verbazen over deze bijzondere stad. Casino na casino, trouwkapellen, een nagemaakt Vrijheidsbeeld, een nagemaakte Eiffeltoren, een namaakpiramide, een Venetiaans grachtenstelsel compleet met bruggen en gondels, het kan niet gek genoeg. Als je de monorail wil nemen loop je dwars door een casino om bij de halte te komen. Je komt ook weer uit bij een casino, waar uiteraard geen enkel bordje 'uitgang' staat en we dus even langs de roulettetafels en fruitmachines hebben gedwaald op zoek naar de uitgang.


 



 

Dag 17. We hebben de dag doorgebracht in nationaal park Death Valley, enkele kilometers verwijderd van Beatty. Onderweg passeerden we Ryolite, een van de vele spookstadjes in de regio. Ook hier werd ooit goud ontdekt en werd overhaast een stadje aangelegd, maar na enkele jaren waren alle goudzoekers alweer weg. De runes van een bank en een goed bewaard gebleven casino en wat andere bouwvallen zijn de enige overblijfselen.

Overal staan borden die waarschuwen voor ratelslangen en de extreme hitte. Wat dat laatste betreft valt het mee voor dit gebied: het was rond de 30 graden. Kort nadat we het park binnenreden lag er opeens wel een ratelslang op de weg, die in de ochtendzon mogelijk van het warme asfalt aan het genieten was. Fieke wist kundig om hem heen te rijden.

Death Valley is enorm; het is een derde keer zo groot als Nederland. Het bestaat uit een centrale zoutvlakte - het laagste en heetste punt van de VS - met bergen aan weerszijden die een schitterend uitzicht over de vallei bieden. Ook in dit park zijn weer verschillende ecosystemen te vinden: er zijn zoutvlaktes, uitgestrekte zandduinen die aan de Sahara doen denken en rotsen en struikgewas die de habitat van slangen, hagedissen en knaagdiertjes zijn. Er zijn zelfs kleine poeltjes waar een eigenaardige, met uitsterven bedreigde vissoort in rondzwemt die extreem zout water en extreme temperaturen kan verdragen.

Eind van de middag reden we weer terug naar Beatty, waar we in een echte Amerikaanse 'diner' in een echte Amerikaanse 'booth' echte Amerikaanse spaghetti met gehaktsaus hebben gegeten. Morgen gaan we nog het zuidelijke deel van Death Valley bekijken en daarna door naar Las Vegas.


 



 

Dag 16. Opnieuw hebben we 500 kilometer zuidwaarts gereden en net als gisteren reden we door desolaat gebied. Het groen verdwijnt langzaamaan; langs de weg staan nu voornamelijk bruine struikjes, wat dor gras en her en der Yucca-bomen, met vaak wat open stukken zandgrond. Zelfs de woestijnratten en antilopes houden het voor gezien in dit barre landschap.

De weg strekt zich uit tot aan de horizon en wederom zien we weinig dorpjes of andere auto's. Het is erg winderig en zanderig op de vlakte en regelmatig waaien er 'tumbleweeds' over de weg, de dorre bruine plantjes die je ook altijd in films en tekenfilms ziet. Er trekken zelfs kleine windhozen over de velden die soms ook de weg oversteken. Het is niet moeilijk om je hier de taferelen van 150 jaar geleden met goudzoekers, cowboys, indianen en huifkarren voor te stellen. Talloze plaatsnamen herinneren nog aan die tijd, zoals Battle Mountain, Massacre Lake, Fish Creek Basin, Buffalo Valley en Silver Creek.

Meerdere dorpjes die we onderweg tegenkomen zijn eind negentiende eeuw tijdens de Goudkoorts gesticht, toen er in de regio goud werd gevonden en er stadjes ontstonden. Die zwelden binnen korte tijd aan tot steden met tienduizenden inwoners, maar toen de goudbron opdroogde werden ze net zo snel weer verlaten en nu zijn het spookstadjes. Je rijdt langs vervallen saloons, postkantoren, winkels en allerhande andere gebouwtjes. Sommige dorpen zijn nog bewoond, dus soms zie je ineens een 'diner' of souvenirwinkel tussen enkele honderd jaar oude bouwvallen in. Een bizar gezicht.

We zijn nu beland in Beatty, een dorp voor de poorten van Death Valley National Park. Het is een sfeervol plaatsje, maar afgezien van een casino valt er weinig te beleven. Er is internet, maar het lijkt erop dat de wifi (netwerk 'Beatty Wireless') gedeeld wordt door het hele dorp. Het is duidelijk dat je ver van de bewoonde wereld bent.


 



 

Dag 15. We hebben een flinke afstand afgelegd, van het midden van Oregon naar het noorden van Nevada. De weg die we volgden was een soort provinciale weg, maar het grootste deel van de route was hij vrijwel uitgestorven. Bend was een behoorlijk grote stad, maar slechts een paar kilometer buiten de stad staat al een bordje dat je waarschuwt dat er de komende 158 kilometer geen tankstations voorhanden zijn. Dan volgen twee dorpjes en staat er weer zo'n bord: 192 kilometer lang geen benzinepomp. En dus ook geen dorpen, winkels of andere tekenen van leven. We rijden soms 20 minuten zonder een andere auto tegen te komen.

De weg is van prima kwaliteit dus we kunnen lekker doorrijden. Het uitzicht is schitterend; het landschap wordt iets vlakker, hoewel aan alle kanten in de verte wel hoge bergen te zien zijn. De bomen verdwijnen al snel en maken plaats voor een prairielandschap met verscheidene soorten lage struiken en grassen. Die begroeiing wordt langzaam maar zeker schaarser en onderbroken door droge, bleke grond of zandheuvels.

Nog steeds steken de grondeekhoorns en woestijnratten in groten getale de weg over. We proberen ze zo vroeg mogelijk te spotten aan de kant van de weg en zijn er vooralsnog telkens in geslaagd ze te ontwijken. Het geluid van een naderende auto lijkt geen waarschuwing voor ze te zijn en ze blijven vaak gewoon op of langs de weg zitten. Ook zijn we enkele wasberen tegengekomen en een soort marmotten ter grootte van kleine bevers - we zijn er nog niet uit wat dat nu precies waren.

Nabij een ranch in the middle of nowhere liep er opeens een strook asfalt met enkele windzakken parallel aan de autoweg - blijkbaar had een of andere boer hier een landingsbaan op zijn land aangelegd. Best praktisch als je zo ver van de bewoonde wereld woont.

Aan het einde van de middag zijn we gearriveerd in het stadje Winnemucca, vernoemd naar een negentiende-eeuws indianenopperhoofd dat hier in de buurt leefde. In Nevada wonen nog altijd tal van indianenstammen. Waar het in Bend nog behoorlijk regende, is het hier aanzienlijk lekkerder weer. We hebben op loopafstand geweldige spareribs gegeten - misschien zelfs de beste ooit. Morgen rijden we nog verder door naar het zuiden.


 



 

Dag 14. Net ten noorden van Redmond ligt Smith Rock State Park, bestaand uit een steil gebergte met een kronkelende rivier eromheen. 'High desert' noemen ze dit lichtbegroeide, droge, rotsachtige landschap. In een van de reisgidsen werd geadviseerd om er met name in het weekend vroeg bij te zijn, want het aantal parkeerplaatsen is beperkt en het park is populair. Wij waren er op een vrijdagochtend, maar toch waren er al flink wat mensen op de been: veel wandelaars en hardlopers, maar ook behoorlijk wat 'rock climbers' die tegen de verticale en soms zelfs achterover hellende rotswanden op klauterden.

Er lopen verschillende wandelpaden door het park en wij gingen voor een uitdagend pad van 6 kilometer dat eerst omlaag de vallei in gaat, daar de rivier oversteekt, vervolgens zigzaggend de berg op slingert en daarna langzaamaan weer afdaalt naar de rivier. Een vrij zware tocht die honderden meters de hoogte in gaat en een schitterende route langs de top van de berg volgt. Fieke was vooral gefocust op het pad en de lucht (vogels en vlinders), terwijl ik vooral op de grond naar wild speurde (grondeekhoorns, konijnen en hagedissen). Op een gegeven moment gleed er een flinke slang over het pad, vlak achter Fieke langs. Fieke miste hem met haar hak op een haar na, maar toen ze zich omdraaide was hij alweer weggeglipt in het hoge gras.

Hierna hebben we nog een tweede park in de buurt bekeken, Pallisades, dat uit een groot meer omgeven door steile rotswanden bestond. Ook mooi, en nagenoeg uitgestorven, maar net iets minder spectaculair. We hebben de dag afgesloten met een wandeling door het mooie en moderne stadje Bend.

De dag begon wat frisjes, maar toen de zon zich in de loop van de ochtend liet zien werd het toch nog een graad of 20. Het heeft verschillende malen geplenst, maar wonderlijk genoeg elke keer als we even in de auto zaten. In de loop van de middag, toen we bij de stad Bend arriveerden, was het opnieuw vrij fris. Morgen zullen de temperaturen wel weer gaan klimmen, want dan reizen we zuidwaarts, de woestijn van Nevada in.


 



 

Dag 13. Je weet dat je in the middle of nowhere bent als je de radio aanzet en hij geen enkele zender kan vinden. Ook telefoonontvangst heb je hier niet. We zijn eerst naar de 'Fossil Beds' van John Day gereden, schitterende lichtblauwe rotsen waarin ontzettend veel 30 miljoen jaar oude fossielen worden opgegraven. Het zandsteen erodeert nogal makkelijk, dus met regelmaat komen er weer nieuwe fossielen aan het licht. Ook vandaag waren er paleontologen aan het werk die al meerdere botjes in hun monsterzakjes hadden zitten.

Vervolgens reden we naar de 'Painted Hills', heuvels van broos zandsteen die uit verschillende kleurrijke lagen bestaan: rood, geel, zwart, bruin, groen, het is net alsof ze beschilderd zijn. Elke laag vertegenwoordigt een ander tijdperk en de heuvels tonen zo tientallen miljoenen jaren geschiedenis.

We hebben flink wat gelopen, veel gezien en zijn tegen het einde van de dag aangekomen in het plaatsje Redmond, waar we lekker en spotgoedkoop Mexicaans hebben gegeten. Morgen gaan we wat minder rijden en gaan we de omgeving van Redmond bekijken.


 



 

Dag 12. Fieke zou gisteravond arriveren, maar door vertraging van haar eerste vlucht en gedoe bij de Amerikaanse douane miste ze haar overstap. Ze zou op de eerstvolgende vlucht naar Boise worden gezet, maar die vertrok pas acht uur later. Noodgedwongen heeft ze dus de nacht op het vliegveld van Seattle doorgebracht. Vanmorgen heb ik haar van het vliegveld in Boise opgehaald - gelukkig een klein, regionaal vliegveldje waar je letterlijk binnen een kwartier uit het vliegtuig bent, je bagage van de carrousel hebt gehaald, in de auto bent gestapt en de snelweg op draait. Een kleine meevaller na zo'n etmaal vol gedoe.

Ook een meevaller is dat de temperaturen in Nederland momenteel wat teruglopen, terwijl het hier - voor het eerst - ruim boven de 30 graden is. We hebben, als waardige introductie in Amerika, gebruncht bij de IHOP, een bekende Amerikaanse pannenkoekenketen. Het is een typische 'diner' waar je gezellig plaats neemt in een 'booth', twee leren bankjes tegenover elkaar met een tafel ertussenin, terwijl op de achtergrond allerlei golden oldies klinken. De pannenkoeken zijn typisch Amerikaans - dik, zacht en luchtig, vijf stuks op elkaar, met wat fruit en een klodder slagroom erop.

Hierna zijn we in de auto gestapt en zijn we de staat Oregon binnengereden. Ook nu weer neem je afscheid van de drukke stedelijke achtbaanswegen en rijd je binnen een mum van tijd op een provinciaal weggetje waar je geen hond tegenkomt. Eigenlijk alleen een groot aantal van die marmot-achtige prairiehondjes die om de haverklap de weg over rennen. De dorpjes liggen ver van elkaar verwijderd, en als je eens een winkeltje tegenkomt, fungeert die ook gelijk als restaurant, benzinepomp, camping en camperstandplaats. Via heuvelachtige prairie gaat de weg diep de bossen en de bergen in om tot slot bij een lichtbegroeid graslandschap uit te komen.

's Middags arriveerden we in John Day, een dorp ergens op het platteland van Oregon. Morgen gaan we hiervandaan enkele bezienswaardigheden diep in de binnenlanden van Oregon bekijken.


 



 

Dag 11. Vandaag heb ik de 'Ponderosa Pine Scenic Byway' afgereden, een idyllisch weggetje dat door de bossen en bergen van Midden-Idaho slingert. Je doet er vier uur over en onderweg kom je vrijwel niets tegen. Als je onderweg even stopt hoor je alleen het gefluit van de vogeltjes, het kalme gekraak van de dennebomen en het gesuis van de wind door de bladeren. Meerdere malen schieten er herten en grondeekhoorns over de weg. Onderweg kom je langs twee dorpjes, elk met minder dan 100 inwoners. Ze staan wel op de kaart van Idaho, maar dat zal wel vermeldingsinflatie zijn: als je een enorm gebied hebt waar nagenoeg niets is, dan ga je dit soort gehuchten maar vermelden.

Het weggetje eindigt vlakbij Boise, een stad ter grootte van Eindhoven. Hier ben ik neergestreken voor de nacht. Fieke vliegt hier momenteel ook naartoe en haar ga ik straks van het vliegveld halen.

Nu ik alweer een paar duizend kilometer heb afgelegd is het tijd voor een paar observaties over Amerikaanse auto's en rijgedrag. Allereerst: in Nederland is het niet ongebruikelijk om, als je aan het tanken bent en de slang stokt omdat de tank (bijna) vol zit, nog even door te gaan om af te ronden op hele euro's. Dat probeerde ik hier ook, maar na slechts voor een paar dubbeltjes te hebben doorgepompt, gutste de benzine er gewoon weer uit! Ik stopte uiteraard acuut met tanken en keek enigszins verbijsterd naar het plasje brandstof op de grond ter hoogte van mijn linkerachterband. Dus: nooit aftoppen!

Een tweede punt: waar Nederlandse kruispunten vaak een speciale rijstrook (met eigen stoplicht) voor rechtsafslaande auto's hebben, is dat in Amerika zelden het geval. Het was me al eens opgevallen dat de auto's die rechtsaf willen niet op het groene licht voor rechtdoor wachten; ze werpen even een blik naar links en als de kust veilig is rijden ze gewoon door rood. Na even googelen bleek dat dit mag: je moet volledig tot stilstand komen en goed kijken, maar daarna mag je gaan. Ik vroeg me nog wel af of het alleen mg, of dat het zelfs wnselijk is. Toen ik zelf voor een rood stoplicht stond en rechtsaf wilde en over die vraag aan het peinzen was, begon een auto achter mij te toeteren, waarmee mijn vraag dus eigenlijk beantwoord was. Ik las dat deze regel in de jaren 70 is ingevoerd, toen er brandstoftekorten waren en deze maatregel onnodig wachten bij een kruispunt en dus onnodig brandstofverbruik voorkwam. Best slim eigenlijk.

Ten derde: er wordt hier nooit getoeterd. Echt helemaal nooit. (Afgezien van de hierboven genoemde keer dan.) Claxonneren is blijkbaar echt een stedelijk dingetje.


 



 

Dag 10. Na mijn dagje Yellowstone bleek het geheugenkaartje van mijn fototoestel vol te zitten. Eerder zette ik de foto's altijd over op een laptop, maar die heb ik nu niet bij me, en dus blijven ze op het fototoestel staan (en ik fotografeer nogal veel). In heb dus in de 'yellow pages' (het telefoonboek) een camerawinkel opgezocht in Idaho Falls (mooi dat ik na geruime tijd op het platteland toevallig in de buurt van een behoorlijke stad ben) en heb daar een geheugenkaartje gekocht. De verkoper was wederom een buitengewoon vriendelijke Amerikaan die n keer in Amsterdam was geweest, maar zijn fiets was daar gejat. Vervelende eerste indruk van ons landje. Hij wenste me een heel fijne reis, en met ruimte voor zo'n 5000 foto's - moet toch genoeg zijn? - vervolgde ik mijn rit.

Vanaf Idaho Falls rijd je door 100 kilometer kaal, heuvelachtig graslandschap. Een bord langs de snelweg meldde dat de Amerikaanse marine hier tijdens en na de Tweede Wereldoorlog uitvoerig kernwapenproeven heeft verricht, maar dat alle rommel later zorgvuldig is opgeruimd. Laten we het hopen.

Hierna kwam ik aan bij 'Craters of the Moon National Monument'. 2100 jaar geleden is hier een grote vulkaanuitbarsting geweest en de gestolde lava ligt hier nog altijd, versteend en nagenoeg onaangeroerd. Vaak zijn het losse brokken basalt, maar op sommige plekken valt er nog duidelijk een lavastroom te ontwaren en kun je je enigszins voorstellen wat voor een onstuimige massa dit destijds moet zijn geweest. Het is een futuristisch, in de ogen van een van de eerste bezoekers 'duivels' landschap. Blijkbaar hebben de Apollo-astronauten hier in de jaren 60 getraind voor hun maanmissies, maar bleek later dat het gebied ook weer niet z sterk op een maanlandschap leek. Er staan hier ook verscheidene 'spatter cones', kegelvormige lavabergen met een diepe kuil in het midden waaruit de lava ooit de hoogte in spoot. De stroperige lavaklodders zijn rondom neergeploft en hebben deze kegels gevormd. Er bevinden zich hier verder verschillende grotten en tunnels die geheel uit gestolde lava bestaan. Opnieuw een uniek, bijzonder park.

Malle-Amerikanen-moment van de dag: echt overal zie je de Amerikaanse vlag en grondwet terug. Eerder zag ik al eens zakken M&M's in de kleuren van de Amerikaanse vlag, nu ook koeken in die kleuren en bij Barnes & Noble stond vlakbij de kassa een rek vol e exemplaren van de grondwet. Dat zie ik de Bruna nog niet doen.


 



 

Dag 9. Ik ben bij het ochtendgloren vertrokken om in Yellowstone beren te kunnen spotten. Het was nog ruim een uur rijden naar de ingang van het park, maar toch was ik de mensenmassa's nog voor. Twee jaar geleden stonden hier ellenlange rijen auto's, nu kon ik zo doorrijden. Ook in het park zelf was het natuurlijk nog rustig, heerlijk. De meeste toeristen komen - net als ik - via de westelijke ingang binnen en blijven hoofdzakelijk in het zuidwestelijke deel, maar ik reed naar het noordoosten en het bleef dus stil op de weg.

Met de zon nog laag aan de horizon was het niet altijd makkelijk om alles langs de weg snel te herkennen. Een grote zwarte gedaante bleek bij het passeren een bermbizon te zijn. Langs een van de centrale verbindingswegen lagen meerdere 'springs', borrelende waterbronnen, wier hete stoom over de weg dreef. Alle ramen van de auto raakten er spontaan van beslagen.

Eenmaal in het noordoostelijke deel aangekomen was het een kwestie van goed naar de bossen en velden turen om wild te kunnen spotten. Dat is uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan als je ook nog op de weg moet letten, maar ergens las ik een handige tip: let gewoon op de mensen met de telelenzen, want daar is dan ongetwijfeld iets te zien. Veel van deze fotografen maken er een sport van om zo vaak en zo veel mogelijk wild te fotograferen en weten precies waar ze moeten zijn, en als er tien bij elkaar staan heb je dus vrijwel zeker beet. En dat gebeurde ook: op een gegeven moment stonden midden in een bossig stuk een paar auto's in de berm met daarnaast enkele fotografen met statieven en enorme telelenzen, gefocust op een open plek in het bos. Ik schoof mijn auto aan de kant, vervoegde me bij de 'telelenzers' en ja hoor, honderd meter het bos in liep een grizzlybeer met twee welpjes. Terwijl je je staat te vergapen aan de logge moedergrizzly en de twee jonkies die elkaar van een boomstronk proberen af te duwen, komen er meer en meer mensen bij staan, want mijn 'strategie' is tamelijk doorzichtig en iedereen wil weten wat de reden van alle opwinding is.

Na een tijdje reed ik weer verder, en na een paar kilometer was het weer raak: een veld aan mijn rechterhand waar een paar telelenzers naarstig hun statief in stelling aan het brengen waren. Ik ging ernaast staan en hoorde dat drie zwarte beren zich in een kuil achter een boomstam verscholen hielden. Na even wachten kwamen ook deze drie beren tevoorschijn. Telkens als een van de beren zijn kop ophief kon je een zee van spiegelreflexcamera's horen klikken.

Omdat het park langzaam maar zeker vol begon te stromen en al die bezoekers als bijen naar de honing kwamen, ontstond al snel een verkeerspuinhoop. Door heel Yellowstone loopt alleen een tweebaansweg met zeer smalle bermen, en dus staan overal borden die oproepen om toch vooral niet midden op de weg stil te gaan staan. Maar ja, als je een veld met twintig fotografen passeert wil je toch weten wat er te zien is. Mensen gaan vanaf de weg foto's maken of zetten hun auto aan weerszijden van de weg half in de berm, waardoor er geen twee auto's naast elkaar meer tussendoor kunnen. De parkwachters, de eerder genoemde 'park rangers', zijn echter niet van gisteren en patrouilleren de gebieden waar dit soort opstoppingen veel voorkomen (eigenlijk altijd vanwege beren, bizons en berggeiten). Ook nu was er snel een ranger bij, die in de weer ging met pionnetjes, mensen op parkeergelegenheid wees en zijn best deed om de doorstroming te bevorderen. Ik heb het eerder al opgemerkt en ook nu viel het me weer op - de rangers doen hun werk met een grote glimlach en zijn altijd buitengewoon vriendelijk, ook al zijn dit soort verkeersopstoppingen ongetwijfeld aan de orde van de dag.

Op de terugweg reed ik nog even langs 'Grand Prismatic Spring', Yellowstones grootste en beroemdste bron in alle kleuren van de regenboog. Het was tegen de 30 graden (het was de afgelopen dagen overigens steeds halverwege de 20 graden, met in de bergen iets lagere temperaturen) en er stond een sterke wind, waardoor de hete stoom (de bron zelf is 80 graden) recht in je gezicht waaide. Yellowstone staat echter bekend om zijn wispelturige weer en binnen korte tijd trokken er wolken samen. Vrijwel uit het niets begon het te hagelen en leek het ineens twintig graden frisser. Terwijl ik nog voor de bron stond woei de hete stoom in m'n gezicht en viel de hagel in m'n nek en had ik oprecht geen idee of ik het nu warm of koud had.

Na een lange maar geweldige dag (uiteindelijk drie grizzly's gezien, vier zwarte beren, vijf berggeiten, drie bevers, tientallen herten en eekhoorns en honderden bizons, watervogels en roofvogels) heb ik heerlijk Mexicaans gegeten in een stadje direct ten westen van Yellowstone (met de creatieve naam 'West Yellowstone'), waar ik twee jaar geleden ook enkele dagen ben geweest.


 



 

Dag 8. Ik ben van Zuidwest-Wyoming naar Noordoost-Idaho gereden, een rit van een aantal uur waarin je door verschillende landschappen rijdt: eerst een weids prairielandschap, vervolgens heuvelachtig grasland met aan je rechterhand een besneeuwde bergrug van de Rocky Mountains, en daarna - ten zuiden van de parken Yellowstone en Grand Teton - een omvangrijk bergachtig gebied vol met loofbossen en kleurige weidevelden. Ik was al vroeg op pad en kon op de prairie talloze herten zien grazen. Soms alleen, soms in hele kuddes: over deze honderd kilometer prairie moeten het er vele honderden zijn geweest.

Er is in deze regio ontzettend veel moois te zien - tja, waar niet eigenlijk - en ik heb ervoor gekozen om een dag naar Yellowstone te gaan. Ik was daar twee jaar geleden ook, maar heb toen in drie hele dagen nog niet eens de helft van het park gezien. Ik zat toen vooral in het zuidelijke deel, maar ik wil nu naar het noorden toe. De vorige keer heb ik ontzettend veel wild gezien, maar niet de hoofdprijs - beren en wolven. Ik heb dus even wat speurwerk verricht om erachter te komen wat de beste plek en het beste moment zijn om deze dieren te spotten. Dat blijkt vooral het noordoosten van het park te zijn, vroeg in de ochtend, dus ik ga morgen op tijd weg, en als ik dan een beetje geluk heb...


 



 

Dag 7. Ik heb vandaag een betrekkelijk kort afstandje gereden, van Noord-Utah naar Zuid-Wyoming. Onderweg ben ik een aantal uur in Red Fleet State Park geweest. Een gave naam - de marine van de Sovjet-Unie heette ook de 'Rode Vloot' - en opnieuw een uitgestorven pareltje. Het is me inmiddels wel duidelijk dat wanneer een park niet de allerhoogste status van 'nationaal park' heeft, hij vaak terzijde wordt geschoven. Ik ben er drie uur geweest en heb welgeteld twee mensen gezien (afgezien van een groot aantal hagedissen en eekhoorns).

Maar waarom heet het park 'Red Fleet'? Van een afstandje zijn er drie gekantelde rode bergtoppen te zien die doen denken aan schepen die woelige wateren trotseren. Het is een prachtig park, en misschien wel het opmerkelijkste is dat iemand hier niet zo lang geleden aan de waterkant dinosaurussporen heeft ontdekt. 200 miljoen jaar geleden was dit gebied een oase in de woestijn en ook toen al lag hier een meer. Voetafdrukken van dino's die door het vochtige duinzand liepen zijn dichtgeslibd en bewaard gebleven toen de duinen versteenden. Een bijzonder gezicht om die sporen hier in de open lucht te kunnen zien.

Ik zit nu in het stadje Rock Springs in Zuid-Wyoming en rijd morgen door richting het noordwesten. Rock Springs is een typisch Amerikaans plattelandsstadje. Een lange vierbaansweg doorkruist het plaatsje en aan weerszijden zijn alle bekende ketens vertegenwoordigd: 50 verschillende fastfoodrestaurants, O'Reilly voor auto-onderdelen, Safeway voor de boodschappen, Home Depot voor keukenspullen, Staples voor kantoorartikelen, Motel 6 en Super 8 om te overnachten, Enterprise, Walmart, Kmart, Petco, Starbucks, enzovoort. Ik heb een paar rondjes gereden, maar ze hebben hier echt alleen maar filialen van ketens. In grotere steden zie je nog weleens 'onafhankelijke' winkels en bedrijfjes, maar in dit soort plaatsjes niet.

Malle-Amerikanen-moment van de dag: reclame op de radio van een gewerenwinkel waar de Smith & Wessons in de aanbieding zijn en de 9 mm-patronen halve prijs zijn. Tja.


 



 

Dag 6. Ik heb de dag doorgebracht in Dinosaur National Monument. Iets meer dan honderd jaar geleden zag een paleontoloog hier een staartbot van een dinosaurus uit de grond steken. In de jaren daarna is men hier ijverig aan het graven geweest en zijn talloze dinosaurusbotten en complete fossielen uit de rotsen gehaald. 149 miljoen jaar geleden was hier een bocht in een grote rivier waar veel dode dino's zijn meegespoeld en in de rivierbedding zijn beland. Een halve eeuw geleden is besloten om een rotswand van enkele tientallen meters breed onaangeroerd te laten, zodat je de fossielen - losse botten, maar ook vrijwel complete dino's - in de rotswand kunt zien zitten.

Daarnaast zijn er in dit park oude muurtekeningen op de rotsen te zien, hier duizend jaar geleden door een indianenstam aangebracht. En tot slot is het landschap eenvoudigweg schitterend. Sediment uit de prehistorische rivier en zandduinen uit die periode zijn gelithificeerd (onder grote druk samengeduwd en in massief steen veranderd), waardoor de rotsen hun glooiende structuur hebben behouden. Daarnaast zijn talloze rotspartijen letterlijk gekanteld doordat de aardkorst miljoenen jaren geleden omhoog is gekomen. Het is een zeer bijzonder landschap.

Het park heeft niet de status van nationaal park, wat het van mij overigens gerust mag krijgen, wat waarschijnlijk de reden is dat het hier nagenoeg uitgestorven is. Wel volop aanwezig zijn hagedissen in allerlei soorten en maten en - ik moest de naam even opzoeken - witstaartprairiehonden, beestjes die een beetje tussen de marmot en het stokstaartje in zitten. Overal in de velden zie je zandhopen waarin ze hun nesten bouwen en waar ze met gestrekt lichaam bovenop staan om de wacht te houden.


 



 

Dag 5. Je blijft je verbazen over de afstanden in de VS. Het ritje naar het stadje Vernal in Utah lijkt op de kaart maar een bescheiden eindje, maar het was echt zo'n weg waar geen eind aan leek te komen. Hij liep wel door een bijzonder, prairie-achtig landschap. Zodra je de Rocky Mountains achter je hebt gelaten is gelijk alle hogere begroeiing verdwenen, er is geen boom meer te zien. De heuvels en rotsachtige bergen zijn begroeid met struiken en dor gras. Na een uurtje door dat landschap te hebben gereden, doemt er ineens een gebergte op dat moet worden doorkruist. Je gaat weer flink de hoogte in, het wordt kouder en de steile hellingen, besneeuwde velden en dichte dennenbossen zijn weer terug.

Het laatste stuk van de route loopt via een schier eindeloze rechte weg met links en rechts steile, rechte rotskammen. Niet ver van mijn eindbestemming passeer ik Dinosaur National Monument, een schitterend park dat zijn naam heeft gekregen vanwege de hier gevonden dinosaurusfossielen. Morgen ga ik hier een dagje doorbrengen.

Op het platteland van Utah besef je dat de auto misschien wel het belangrijkste goed in het leven van de Amerikaan is. Je passeert geen huis of ranch of bedrijf of schuurtje of wat voor object dan ook of er staan wel een aantal auto's naast. Van glimmende pick-ups tot roestige wrakken, het moeten er honderden miljoenen zijn. Naast in de hoeveelheid zie je het ook in de manier van gebruik. Toen ik van een heuvel afreed zag ik in de verte een truck een oprit van misschien 100 meter afrijden. Er stapt een knulletje uit van een jaar of 15 (die reed!), hij haalt de post uit de brievenbus en hij rijdt weer terug maar huis. Pure waanzin. Nog maffer: in Vernal wilde ik even geld pinnen, maar de bank van Vernal heeft geen gewone pinautomaat, alleen n met een rijstrook ervoor. Een drive-through-geldautomaat! Alsof je bij de McDonald's bent.


 



 

Dag 4. Omdat ik toch wel nieuwsgierig was naar het oostelijke deel van de Rocky Mountains ben ik maar om het park heen gereden om de oostelijke ingang te nemen. Het was de moeite meer dan waard. De vergezichten zijn hier nog indrukwekkender en het wemelt hier van het wild: herten, elanden, berggeiten en allerlei kleiner gedierte. Dit is duidelijk de populaire kant van het park, want het was er vergeven van de mensen (en een medebezoeker die ik sprak zei dat het vandaag juist rustig was, omdat veel mensen er gisteren op Memorial Day op uit zijn gegaan).

Ik heb nog een aardig eind gelopen: via een wandelpad door het bos waren een aantal mooie bergmeertjes te bereiken. Een beetje behendigheid was wel een vereiste, omdat er plaatselijk nog meters sneeuw lag en wandelaars daar maar door- of overheen moesten zien te ploeteren. Maar het was de moeite meer dan waard: de meertjes zijn wonderschoon, en als je vervolgens nog even doorklom had je een fantastisch uitzicht over een groot deel van de vallei.

Ik blijf versteld staan van de hartelijkheid en openheid van de Amerikanen. Of je nu in een park van het uitzicht staat te genieten of ergens iets te eten bestelt, je wordt altijd vriendelijk begroet en mensen willen altijd een praatje aanknopen. De 'park rangers', de mannen en vrouwen die de nationale parken beheren, spannen toch wel de kroon. Ze zijn altijd buitengewoon vriendelijk en gastvrij en lijken met iedere bezoeker wel een babbeltje te willen maken.

Ik ben nu voor de derde nacht in mijn motel aan de Rocky's neergestreken; morgen reis ik door naar het westen, naar Utah.


 



 

Dag 3. Vandaag ben ik vroeg opgestaan en naar de zuidwestelijke ingang van Rocky Mountain National Park gereden. Ook al bevindt het park zich niet ver van de bewoonde wereld vandaan, was het er erg rustig. Het is vandaag Memorial Day, de dag waarop de Amerikanen hun oorlogsslachtoffers herdenken, wellicht heeft dat ermee te maken.

Het park bestaat uit groene weides, meertjes en naaldbossen, omlijnd door talloze hoge bergtoppen. De rivier de Colorado heeft hier haar bron, stroomt als een bescheiden riviertje richting het zuidwesten en heeft in de loop der tijd enkele honderden kilometers verderop de Grand Canyon vormgegeven. Naarmate je dieper het park intrekt, ga je ook de hoogte in. Van 9000 voet klim je naar bijna 11.000 voet, bijna 3300 meter. De lucht is hier vrij ijl; blijkbaar bevat de lucht op deze hoogte 35 procent minder zuurstof dan op zeeniveau. Je voelt je ook duidelijk wat kortademiger en wanneer je weer naar beneden rijdt zijn je flesjes drinken helemaal ingedeukt door het drukverschil.

Er ligt hoog in de bergen nog volop sneeuw. Er is n weg die het westelijke deel van het park met het oostelijke verbindt, maar door een sneeuwstorm vorige week is die weg, die normaal alleen 's winters gesloten is en meestal in mei wel weer toegankelijk is, nog niet begaanbaar. Dat betekent dus dat ik morgen, waarop ik eigenlijk de rest van het park wilde bekijken, eerst helemaal om het park heen moet rijden.


 



 

Dag 2. Ik heb 's ochtends mijn auto opgehaald op het vliegveld. De autoverhuurbedrijven (bekende namen als Enterprise, Hertz, Alamo, Budget) zitten met zijn tienen naast elkaar op enorme parkeerterreinen een eindje van het vliegveld vandaan. Vanaf het vliegveld rijden shuttlebussen af en aan om de mensen naar die parkeerterreinen te brengen. Zoals me eerder al was opgevallen is echt alles in Amerika groot - zelfs die parkeerterreinen zijn enorm. Iedere verhuurder heeft daar vele honderden auto's staan. Ik heb een 'economy car', een Ford Fiesta, wat een normale personenauto is voor Nederlandse begrippen, maar op de Amerikaanse snelwegen waan je je een Calimero. Overal rijden pick-uptrucks, immense RV's, terreinwagens en jeeps. De ligging van Denver zelf is eigenlijk niet echt speciaal, het is er vlak en dor, maar al vanaf het vliegveld kun je in de verte de bergtoppen van de Rocky Mountains zien, die nagenoeg tegen de stad aan liggen. Mijn volgende halte is een dorpje aan de andere kant van die bergketen, dus dat is even klimmen. Na aardig wat geploeter - mijn auto kan het aan, maar ik word voorbijgeraasd door de pick-uptrucks en SUV's - bereik je na vele haarspeldbochten een hoogte van 4 kilometer en heb je een adembenemend uitzicht op alle pieken en dalen. Het is frisjes op deze hoogte en overal ligt nog sneeuw. Aan de andere kant van de bergketen ben ik weer wat gedaald en neergestreken in een motel in een klein, kalm en sfeervol dorpje. Het dorp ligt aan een diep dal waar een rivier doorheen stroomt. In het water beproeven enkele vliegvissers hun geluk. Aan de overkant van de rivier en direct langs de weg torenen rotswanden tientallen meters de hoogte in. Een schitterende omgeving.


 



 

Dag 1. Mijn reis is begonnen op Schiphol. Alleen al op het vliegveld komen is weleens een aardige reis geweest, maar nu, vanuit Voorburg, wandel ik in een kwartiertje naar het station en sta ik vervolgens met 20 minuten op Schiphol. Ik was mooi op tijd en sloot aan in de rij voor de incheckbalie, maar toen werd medegedeeld dat de vlucht zes uur vertraging had. Hij zou pas ergens in de avond vertrekken. Op zich al erg vervelend, maar des te meer omdat ik eerst naar Reykjavik in IJsland zou vliegen en daar twee uur later een aansluitende vlucht naar de VS zou nemen. Die kon ik dus ook wel op m'n buik schrijven. Ik was al allerlei oplossingen aan het bedenken, maar de dames van de vliegmaatschappij, IcelandAir, gaven aan dat iets zou worden bedacht voor de mensen die een aansluitende vlucht zouden missen. En warempel, na een uur kreeg ik een e-mail van IcelandAir dat ik overgeboekt was naar een andere vlucht naar Reykjavik, die op hetzelfde tijdstip zou vertrekken! Ik dacht: zal ik zo zeurderig zijn om te vragen of ze toevallig ook een stoel met extra beenruimte hebben, en dat heb ik maar gewoon gedaan, maar het vliegtuig zat verder helemaal vol. Afijn, prima, ik ben allang blij dat ik mee kon! Maar bij de gate bleek een nieuwe instapkaart voor me klaar te liggen - ik was gratis opgewaardeerd naar economy comfort, met bredere stoelen, extra beenruimte en gordijntjes en dergelijke. Supertof van ze.

Het was helder weer, waardoor het uitzicht tijdens het eerste deel van de vlucht fenomenaal was. Het vliegtuig klom in sneltreinvaart en na een minuut was heel Noord-Holland zichtbaar - steden en wegen, de Noordzeekust, in de verte Den Helder en Texel, het IJsselmeer, en daarlangs de Afsluitdijk. Eenmaal boven de Noordzee zie je eerst allerlei pleziervaartuigen, daarna een windmolenpark, vervolgens de boorplatformen, en tot slot de eenzame vrachtschepen die de Noordzee doorkruisen. Dit is de 21e vlucht van mijn leven en het blijft een geweldige, bijna onwerkelijke ervaring.

IJsland doet er alles aan toeristen naar het land te lokken en het land te promoten. Ontzettend veel vluchten van Europa naar Amerika hebben een tussenstop in Reykjavik en reizigers worden met kortingen verleid om een paar dagen op IJsland te blijven. Het vliegtuig is vernoemd naar een (onuitspreekbare) IJslandse vulkaan, zo meldt de gezagvoerder ons trots. Het schermpje in de stoel voor mij noemt allerlei records die op naam van IJsland staan en maakt reclame voor rondvaarten waarbij je walvissen kunt spotten en andere IJslandse bezienswaardigheden. Het gratis flesje water is echt IJslands gletsjerwater en ga zo maar door.

Van Reykjavik heb ik weinig gezien - niet lang nadat de IJslandse kust in zicht kwam, vlogen we een dicht wolkendek binnen, waar we pas enkele tientallen meters boven de grond weer uit tevoorschijn kwamen. Het motregende, de grond heeft een grauw, grijsbruin kleurtje en in de verte waren besneeuwde grijze bergen te zien.

Het vliegtuig vertrok vanaf Schiphol met bijna een uur vertraging, dus eenmaal in Reykjavik aangekomen was het nog even stressen om op tijd bij de gate te zijn. Twee jaar geleden vloog ik van Dublin naar de VS en moest ik al in Dublin een uitgebreide douanecontrole ondergaan - een norse man stelde allerlei vragen over mijn verblijf, ik moest wat papierwerk invullen, foto laten maken, vingerafdrukken afgeven, dat soort dingen. En dat kost uiteraard veel tijd. Maar nu liep ik gewoon van de aankomstgate naar de vertrekgate en hoefde ik alleen even kort mijn paspoort voor te leggen aan een IJslandse beambte.

Die inspectie volgde in Denver, maar was lang niet zo uitgebreid als destijds in Dublin. Denver heeft als bijnaam de 'Mile High City' omdat de stad een mijl (1,6 km) boven zeeniveau ligt. Na aankomst heb ik een motel opgezocht om de nacht door te brengen. Het was 20:30 uur toen ik eindelijk bij het motel aankwam - 04:30 uur Nederlandse tijd - dus toen was ik ook wel toe aan wat welverdiende nachtrust.

 



 

Alle rechten voorbehouden / all rights reserved © Auke de Vlieger 2008-
Home